dinsdag 31 maart 2015

Fragmentje uit mijn manuscript (in wording)

De huizen zijn oud en verlaten. Toch is er iemand. Misschien een reiziger die een onderkomen heeft gezocht voor de nacht. Wie het ook is, Regen is van plan hem te bestelen. Ze wil zacht naar binnen sluipen, wat te eten weggrissen en zich dan verstoppen in een van de andere huizen.
De houten trap naar het huis kraakt hoorbaar onder haar voeten. Ze blijft staan en luistert. In het huis voor haar blijft het donker en stil. Behoedzaam loopt ze verder naar de deur, die ze zachtjes een zetje geeft. De deur gaat zacht krakend open.
Twee goudgele en twee groene ogen kijken haar aan vanuit de geopende ruimte. De twee goudgele ogen vernauwen zich en komen met een luide grom in beweging. Voor ze beseft wat er gebeurt, slaat ze met haar achterhoofd tegen de bovenste trede van de trap. De zware poten van een panter duwen op haar buik en een ontblote rij vlijmscherpe tanden blinkt vlak voor haar gezicht.
Regen heeft maar een paar tellen nodig om van de schrik te bekomen. Geërgerd duwt ze met één hand tegen de flank van het dier.
"Ga van me af stom beest."
"Distel blijf," commandeert de stem van een jongen.
Een magere jongen met fel groene ogen en een bos piekerig groen haar stapt naast de panter in het maanlicht.
"Wie ben je?" vraagt hij op een dreigende toon.
"Gaat je geen klap aan," antwoordt Regen, niet erg onder de indruk van de kleine jongen in niet meer dan een hemd en een onderbroek.
"Wat kom je hier doen?" vraagt hij. Hij legt zijn hand in de nek van de panter.

"Haal die lompe kat van me af en dan vertel ik je dat misschien," sist Regen.  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen